6. De verdere uitbouw van de 2e pensioenpijler

In 2025 werkte PensioPlus verder aan de reflectie over de verdere uitbouw van de 2e pensioenpijler. Aanleiding was het seminarie van 9 december 2025, waarop de uitdagingen, randvoorwaarden en mogelijke pistes voor een ruimer aanvullend pensioenstelsel werden besproken.

De centrale vaststelling was duidelijk: stilstand is geen neutrale keuze. De combinatie van demografische druk, budgettaire beperkingen en hervormingen binnen het wettelijk pensioen vergroot de nood aan aanvullende pensioenopbouw. Het wettelijk pensioen blijft het fundament van het Belgische pensioenstelsel, maar volstaat steeds minder om de levensstandaard na pensionering te vrijwaren. Een robuust pensioenstelsel heeft baat bij diversificatie: 1e en 2e pijler zijn complementair in een en-enverhaal dat demografische en financiële risico’s spreidt.

De verdere versterking van de 2e pijler dringt zich dan ook op, als complementaire bouwsteen binnen een evenwichtig en robuust pensioenmodel. De gemiddelde wettelijke pensioenuitkering bedraagt ongeveer 2.000 euro bruto (1.700 euro netto) per maand, terwijl de maandelijkse uitgaven van 65-plussers oplopen tot meer dan 2.300 euro. Het structurele inkomensgat bedraagt 500 tot 600 euro per maand. Dit wordt nog versterkt door vergrijzing, een dalende verhouding tussen actieven en gepensioneerden en lopende pensioenhervormingen die de gemiddelde vervangingsgraad drukken.

De cijfers onderstrepen die uitdaging. Vandaag haalt ongeveer 76% van de actieve bevolking het streefdoel van 3% aanvullende pensioenopbouw niet. Binnen die groep bouwt 32% helemaal geen aanvullend pensioen op, terwijl 44% wel rechten opbouwt in de 2e pijler, maar onder de drempel van 3% blijft. Om die kloof te dichten, is jaarlijks zo’n 1,89 miljard euro aan bijkomende bijdragen nodig.

Pas vanaf het 86ste percentiel van de verdeling is de opgebouwde 2e pijler toereikend. De uitdaging is niet alleen groot in absolute termen, maar ook geconcentreerd bij een brede middengroep van actieven.

PensioPlus werkte een toetskader uit: elk traject richting een sterkere 2e pijler moet volgens vier criteria worden beoordeeld:

  1. Betaalbaarheid: het traject moet haalbaar zijn op macroniveau en binnen de draagkracht van werkgevers, werknemers en sectoren, rekening houdend met beperkte loonmarge en internationale concurrentie.
     
  2. Adequaatheid: het traject moet tot betekenisvolle pensioenopbouw leiden, met substantiële bijdragen, vroege instap, doordacht investeringsbeleid en kostenbeheersing. Een brede dekking met te lage bijdragen creëert enkel schijnzekerheid.
     
  3. Billijkheid: het traject moet oog hebben voor gelijke toegang en uitkomst, met aandacht voor lage lonen, onvolledige loopbanen en sectorale verschillen.
     
  4. Transparantie: het traject moet eenvoudig zijn, met duidelijke informatie over rechten en verwachte uitkomsten en een voorspelbaar wettelijk en fiscaal kader als randvoorwaarde voor engagementen op lange termijn.

Tijdens het seminarie werden vijf denkpistes geformuleerd, die gecombineerd en afgestemd op sectorale realiteiten kunnen worden ingezet:

  1. Een deel van de toekomstige loonmarge aanwenden voor pensioenopbouw, in lijn met de oefening rond de loonwet, waar de deadline voor de sociale partners ligt op 31 december 2026.
     
  2. Persoonlijke werknemersbijdragen versterken via een hertekend fiscaal kader, met flankerende maatregelen voor lagere inkomens.
     
  3. Het pakket extralegale voordelen herbekijken, met een bewuste afweging tussen korte- en langetermijnbestemmingen van beschikbare loonruimte.
     
  4. Het Noria-effect benutten: de demografische loonmassabesparing door de vervanging van oudere werknemers met hogere lonen door jongere met lagere lonen volstaat in elk scenario ruimschoots om de 3%-norm te financieren, zonder hogere totale loonkosten.
     
  5. Internationale inspiratie, met name het Britse auto-enrolment dat via standaardkeuzes de participatie sterk verhoogde.

Daarnaast formuleerde PensioPlus een aantal bouwstenen voor het pad naar een veralgemeend aanvullend pensioen met een werkgeversbijdrage van minstens 3% van de bezoldiging.

Een eerste bouwsteen gaat over inbedding en fasering. Integratie van de 2e pijler in de nota van de sociale partners over de loonwet is nodig. De harmonisering arbeiders/bedienden is daarbij een opstap. Er moet een gradueel groeipad uitgewerkt worden richting 2035, met vooraf afgesproken tussenstappen.

De 3%-doelstelling is een gedeelde verantwoordelijkheid tussen werkgevers en werknemers. Organisatie op sectoraal niveau is zinvol omwille van schaalvoordelen en governance. Voor persoonlijke bijdragen moeten er fiscale incentives komen, waarbij kan worden teruggegrepen naar historische systemen waarin bijdragen fiscaal aftrekbaar waren aan het marginaal tarief, met een latere belasting bij uitkering aan 16,5%. Voor lagere inkomens dringen flankerende maatregelen zich op.

Een derde bouwsteen is een wettelijk opvangnet, een defaultsysteem als vangnet voor sectoren die achterblijven. Heel wat elementen zijn hierin belangrijk, zoals de wettelijke verankering van de 3%, vrije keuze van pensioeninstelling, automatische toewijzing bij het uitblijven van een keuze. Zo’n defaultsysteem kan enkel vertrouwen wekken als het voldoet aan een aantal kenmerken: not-for-profitkarakter, operationele eenvoud (RZS/KSZ), governance via sociale partners, lifecycle-investeringen, focus op ESG-integratie en investeringen in private markets.

Er is nood aan vertrouwen en keuzemogelijkheden. Een stabiel fiscaal kader is cruciaal, met bij voorkeur enkel prospectieve wijzigingen. Aangeslotenen en sociale partners moeten kunnen beschikken over heldere informatie. Er moeten keuzemogelijkheden zijn bij opname (kapitaal, rente of combinaties), die fiscaal gelijkwaardig zijn. Voor zelfstandigen kan er auto-enrolment komen via het VAPZ-stelsel.

Een vijfde bouwsteen is een gestructureerd proces met begeleidingscommissies die bestaan uit sociale partners, beleidsmakers, administratie en academici. Naar Brits voorbeeld valt aan te raden eerst te komen tot een gedeelde diagnose om dan het debat over mogelijke oplossingen te voeren. Een duidelijke structuur maakt periodieke evaluatie van het traject mogelijk.

Op basis van deze reflectie wil PensioPlus het debat over de verdere uitbouw van de 2e pensioenpijler op een onderbouwde en evenwichtige manier blijven voeden, met respect voor het Belgische sociaal overlegmodel en met oog voor de langetermijnbelangen van huidige en toekomstige gepensioneerden.

 

Meer info vind je in de reflectienota.